poetry ,

Gedichten IV

Feb 26, 2026 · 3 mins read
Gedichten IV

Ik stond recent stil bij het feit dat ik een mastergraad in de moleculaire biologie bezit, en hier verder weinig meer mee doe. Een groot deel van mijn leven heb ik veel tijd en energie gestoken in het doorgronden van biologische systemen en heb ik dit zelfs in de wetenschap mogen toepassen. Ik blijf het bijzonder vinden dat we onze samenleving zo ingericht hebben dat er veel mensen zijn die opgeleid worden met bepaalde kennis en vervolgens op een plek eindigen waar die kennis totaal niet toegepast wordt. Uiteraard is de meerwaarde van een (universitaire) opleiding boven alles het structureren van de geest en het opdoen van intellectuele discipline, en zouden we dit als doel op zichzelf kunnen beschouwen. Toch wringt het wel eens bij mij dat mijn hoofd volgestouwd is met biologische kennis en ik verder geen uitlaatklep voor die kennis heb. Zo is het gedicht ‘biologische drangen’ tot stand gekomen. De wisselwerking tussen wetenschap en filosofie heb ik namelijk altijd fascinerend gevonden. Onze wereld lijkt geobsedeerd te zijn door het empirische, het meetbare en het cijfermatige interpreteren van onze realiteit. Ergens past deze zienswijze totaal niet bij mijn aard…

De oorsprong van het gedicht ‘zelfportret voor mijn ongeboren kind’ komt ten dele door een fascinatie met Wende haar nummer ‘Het Is Genoeg’; het spelen met het ritme van taal is wat op de eerste plaats me interesseert aan de poëzie. Nog los van de beeldspraak die het op kan wekken is het staccato van taal op zich zelf aangrijpend. Vandaar dat ik ook erg kan genieten van rap als kunstvorm. Verder vind ik het ook gewoon een mooi beeld. Er is een gedicht van Jean Pierre Rawie die ik zo snel niet kan vinden waar hij een liefdesverklaring schrijft aan een geliefde die helemaal niet bestaat. Met eenzelfde thema heb ik geprobeerd te spelen.

Gedichten:

zelfportret voor mijn ongeboren kind
mocht je vader eertijds komen te vergaan,
begrijp dan dat hij zijn weerga niet kende,
weet, hij was wijsgeer, pottenkijker, sofist -

lyrisch tovenaar, grachtengordelsocialist,
barmhartig in zijn ongeëvenaarde, valse
bescheidenheid. hij stierf corpulent van

naïeve hoop en spijt. onsterfelijk tot het
eind en geketend door niks anders dan
de zelf aangebrachte schakels van Tijd.

liefhebben verhief hij tot een kunst, waar-
achtigheid was zijn penseel en met brede
stroken verfde hij zijn essentie zonder kleur.

weet, je vader was groots van aard, Columbus
van de ziel. dichter, denker, brandjesstichter -
Nero met een brandend calimerocomplex.

overwinnaar van hartelijke zeden, besneden
in zijn mannelijkheid. overtuigd van zijn gelijk.
emotioneel dement en gevoelsmatig decadent -

voortvluchtig in het leven was je vader mens.


biologische drangen
klaarlichte dag speelt met zijn prooi
als een kat die een muis terroriseert -
evolutie is wreed in haar apathie.

hoewel verlangens puur genetisch zijn
bestaat er geen codon voor de ziel;
welke basen overstijgen het basale?

in nachtelijke visioenen hengel ik naar
de homeopathisch verdunde kern van
mijn essentie: atomen vol met leegte.

het universum haar ventiel is lek en we
zijn roofdier, prooi, mens. nietig insect
onder het firmament - vogels die vliegen

zonder sturing of magnetisch kompas.


zelfspot
wij zijn door hoop getekend,
op het scherpst van de snede
gesplitst en hebben berekend,
alles wat we vreesden gemeden.

wij zijn van schroom genezen,
maakten luchtkastelen in het zand,
hebben aan de wereld bewezen,
dat ons vaartuig zelden is gestrand.

wij zijn met sensatie verloofd,
verslaafd aan winden die gieren
tot de lantaarn flikkert en dooft,
duisternis ons moet bestieren.

ach, wij zijn van weinig overtuigd
dan wat we actief deden verhullen;
het verdriet hebben we toegejuicht,
en leed—zo bitter!—was om te smullen.