Het leven is uiterst serieus en de reikwijdte van leed immens. Toch hoeft het bestaan helemaal niet zo serieus te zijn. Eén van de ambities van de literatuur is om deze ultieme tegenstrijdigheid in woorden te vatten. In de Freudiaanse psychoanalyse vinden we de term ‘sublimatie’ die we ook op kunst kunnen toepassen: een auteur transformeert zijn of haar emoties in persoonlijke expressie om op die manier negatieve gevoelens onder ogen te kunnen zien. Schrijven is dus absoluut een vorm van therapie. In mijn optiek is de Roemeense schrijver Emil Cioran hier een uitstekend voorbeeld van. Hij schreef bijvoorbeeld: “We verkeren allemaal in een diepe hel waar elk moment een mirakel is”. Er is absoluut schoonheid te vinden in deze wereld, ook zonder roze bril. Van eigen bodem ben ik om dezelfde reden de laatste tijd gecharmeerd van het werk van J. Slauerhoff.
Ik leerde recent dat deze dichter een lange periode van zijn leven in Leeuwarden heeft gewoond. Sterker nog, ik woon om de hoek van het huis waar hij geboren is! Ook Slauerhoff zijn werk straalt een bepaalde ironische moedeloosheid uit, ondersteund door zijn eindeloze geloof in de verlossende kracht van de liefde. Of de liefde op zichzelf inderdaad in staat is om de ketens van het wereldse leed losser te maken, durf ik niet te zeggen. Toch blijft het een wonderlijk poëtisch thema. De geniale eenvoud van Slauerhoff, gedemonstreerd in de stanza: Deze extase // Keert niet weer. // ’t Licht doet dwaas en // ’t Leven zeer, uit zijn gedicht Bezinning is iets waar ik naar streef om te kunnen evenaren.
Gedichten:
donderdag de was doen
er was donderregen, je zat op de rand van ons bed
het etiket van je natte blouse te lezen. een of ander
jochie in Bangladesh heeft dat erin genaaid zeg ik
vrolijk plat: waarschijnlijk is hij nu allang dood.
je rollende ogen zijn de reden dat ik van je houd;
humor is toch de enige dialectiek die er toe doet.
filosofisch geneuzel veroorzaakt rimpels op mijn
interne gezicht. ik ben veel te lui om intellectueel
te lijden dus stop ik de gedachten in een gedicht:
poëzie is wol waar je alles van kan breien. focus
maar op het hier en nu; ontbrekende sokken
en zachte stoffen die door mijn handen glijden.
het weer is slecht. buiten valt regen tegen ruiten.
je mooie ogen verleiden me. je warmte strijkt
de plooien van mijn ziel weer eventjes recht.
de stad
een geur van verlangen, de kleur van bloed;
zonneschijn op de stoeptegels vol vogelpoep
babywagens op het terras, busjes op trottoir;
de meute kakelt als kippen in een abattoir
in het duister schalt het neonlicht als een
cicade, in de nacht ga je bij jezelf te rade -
als weldenkend mens heb je in de stad
weinig te zoeken maar je voelt je thuis
tussen alle andere onbezonnen dwazen
tijdcapsule
je wilt de hond begraven naast de trampoline
maar vindt een tijdcapsule onder het gazon.
verstrooid blader je door de gevonden troep,
gooit de papieren gedachteloos op een hoop.
dit is nu een mensenleven, gekristalliseerd in
zo’n metalen doos. de totaliteit van tederheid
en hoop: menige onverstuurde liefdesbrieven
geadresseerd aan De fraaiste heer des lands.
decennia later buigt je kleindochter op
zolder zich over de vergeelde pagina’s.
vol oprechte ontroering leest ze ze door,
en leeft in haar onvervulde liefde voort.
komt een man bij de dokter
veel te vroeg gearriveerd in de
wachtkamer, eindig ik ijsberend
op het toilet. boven de wasbak
hangt een spiegel met lelijk portret.
alles is troosteloos aan deze plek.
een oudere dame tikt op de tafel
en ik neig te schreeuwen verrek,
dit is wat er mis is met jullie generatie!
ik veeg het boetekleed glad, werp een
blik op de dame met haar klotegetik
en loop de vergankelijkheid tegemoet.